Noot: zie onderaan
TOELICHTING VAN HOOFDSTUK 3
INLEIDING
In artikel 3:1 wordt melding gemaakt van een bezoldigingsregeling. Tevens wordt in verschillende artikelen de formulering gehanteerd waarbij vermeld wordt dat zaken in een nader vast te stellen regeling worden uitgewerkt.
In aansluiting op het regime van de Gemeentewet is ervoor gekozen uitsluitend de term regeling te gebruiken in die gevallen waarbij het om een algemene regeling gaat. zoals een bezoldigings- of een werktijdenregeling. In dit verband wordt nog opgemerkt dat de term regeling uitsluitend een modernisering inhoudt ten opzichte van de term verordening en dat hiermee geen inhoudelijke wijziging wordt beoogd.
In dit verband is het van belang te wijzen op het onderscheid tussen de verplichting danwei de mogelijkheid nadere regels te stellen. In dit hoofdstuk wordt in de artikelen 3:2 tot en met 3:4 bepaald wat ten minste de inhoud dient te zijn van de nader vast te stellen regeling waarin voorschriften staan omtrent het aanspraak maken op bijvoorbeeld een overwerkvergoeding of een toelage onregelmatige dienst. In deze gevallen dient een nadere regeling te worden vastgesteld.
3:1 Algemeen
In het arbeidsvoorwaardenakkoord 1995/1997 is overeengekomen dat een nieuwe salarisstructuur wordt ingevoerd. In deze structuur worden onder meer de aanvangssalarissen verlaagd, de schaalmaxima verhoogd en vervallen de wachtjaren in de schalen 1 tot en met 5. Inzake de wijze van conversie van de oude naar de nieuwe structuur is afgesproken dat het zittende personeel geen nadelige gevolgen ondervindt van de nieuwe inschaling en dat degenen die op het maximum van hun schaal staan per 31 maart 1997 overgaan naar het nieuw vastgestelde schaalmaximum. Het gevolg van deze afspraken is dat gedurende een aantal jaren binnen een gemeente twee salaristabellen naast elkaar gebruikt worden. In dit verband wordt verwezen naar de brief van het LOGA van 20 december 1995, kenmerk ARZ/509414, met als onderwerp de formalisering van het arbeidsvoorwaardenakkoord 1995-1997, wat betreft de onderdelen van het akkoord die per 1 april 1996 ingaan.
Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat de artikelen 3:3 en 3:3:1 niet van toepassing is op de oproepkracht, en dat hoofdstuk 3 niet van toepassing is op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming, de vakantiekracht en de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen.
Lid 2
Het tweede lid beoogt de lokale bezoldigingsregeling in zoverre te uniformeren dat de kernbegrippen van de bezoldigingsregeling eensluidend zijn.
Lid 3
In het derde lid wordt bepaald dat bijlage II (de "oude" salarisstructuur) en bijlage IIa (de salarisstructuur per 1 april 1996) van de CAR met de schaalindeling - de salaristabellen - onderdeel uitmaakt van de bezoldigingsregeling. Per 1 april 1996 is bijlage II van toepassing op de ambtenaar die reeds op 31 maart 1996 een salaris genoot op grond van bijlage II (de lopende gevallen). Bijlage IIa is van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking gaat vervullen in de zin van de CAR, zonder dat betrokkene daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR heeft vervuld. Bijlage IIa is ook van toepassing op degene die aanslui- 9 - tend aan een betrekking waaraan een salaris was verbonden, een nieuwe betrekking gaat vervullen waaraan een beter salarisperspectief is verbonden (de nieuwe gevallen).
Lid 4
Het vierde lid bepaalt dat in de bezoldigingsregeling nadere regels worden gesteld inzake de wijze waarop de inschaling in de nieuwe salaristabel (tabel IIa) plaatsvindt van degenen die op 31 maart 1996 op basis van de oude salaristabel (tabel II) zijn ingeschaald. Bij deze regels moet het gestelde in artikel 3:1, derde en vijfde lid, in acht worden genomen.
Lid 5
Het vijfde lid bepaalt dat:
- degene die voor 1 april 1997 het maximum van de geldende salarisschaal heeft bereikt en geen perspectief heeft op een hogere salarisschaal , pas per 1 april 1997 een salaris ontvangt op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa;
- degene met een salaris op grond van bijlage II die op of na 1 april 1997 het maximum van zijn schaal ontvangt en geen perspectief heeft op een hogere schaal binnen zijn functie, op het moment dat het maximum is bereikt, een salaris ontvangt op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa.
Lid 7
Dit artikel biedt de mogelijkheid dat een ambtenaar in het kader van seniorenbeleid de laatste jaren van de loopbaan een rustiger functie kan aanvaarden en op die wijze de loopbaan kan afbouwen. De werkgever wordt de mogelijkheid geboden het salaris op het niveau van de nieuwe functie uit te betalen Deze teruggang in salaris als gevolg van 'een stapje terug' heeft geen gevolgen voor de pensioenopbouw Dit is geregeld in artikel 5a:9.
Lid 8
In artikel 7:16, tweede lid, is de grondslag opgenomen voor definitieve herplaatsing na 24 maanden van ziekte in de eigen of een passende functie. Bij herplaatsing zal het salaris aangepast moeten worden aan de gewijzigde functie.
NOOT Wijziging per 1 juli 2008 (U200801112): Tot 1 juli 2008 stond in de inleidende toelichting de volgende (derde) alinea. Deze is per 1 juli vervallen.
"Op twee andere plaatsen in de CAR, artikel 6:5 en 8:3, wordt bepaald dat een nadere regeling kan worden vastgesteld. Het gaat hierbij om een regeling betaald ouderschapsverlof (artikel 6:5) of een regeling die functies bevat waarvoor een functioneel leeftijdsontslag (FLO) geldt. Dze bepalingen houden daarmee geen verplichting in om een regeling betaald ouderschapsverlof tot stand te brengen of functies als FLO-functies aan te wijzen."