Artikel 1:2

  1. Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd:
    1. het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs;
    2. het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;
    3. de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig;
    4. de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet;
    5. de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen;
    6. de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid;
    7. de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid;
    8. hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening;
    9. de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg.
  2. Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist is in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad.
  3. Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing.

briefnummer: U200800390,  U200901449,  U201001980, U201002606, U201502055, U201700464

Lid 1
onderdeel a
De rechtspositie van het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs is
onder andere geregeld in het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel. Grondslag voor dit besluit ligt in de diverse onderwijswetten. Onderwijzend personeel bij het bij zonder onderwijs is op arbeidsovereenkomst werkzaam bij die instellingen en dus daarom al is de CAR-UWO niet op hen van toepassing. De gemeente treedt hier immers niet als werkgever op.

onderdeel b
Het onderwijsondersteunend personeel is belanghebbende in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel als het rechtstreeks bij de school is aangesteld. Wanneer bijvoorbeeld een schoolschoonmaker bij de gemeente is aangesteld, is de CAR-UWO onverkort van toepassing.

onderdeel c
Ook de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand, die als zodanig optreedt, is geen
ambtenaar in de zin van het CAR. Wanneer het gaat om een ambtenaar die in hoofdfunctie bij de gemeente werkzaam is, geldt de uitzondering dus uitsluitend indien de ambtenaar - in
nevenfunctie - functioneert in de hoedanigheid van (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand.

onderdeel d
Alle onbezoldigde gemeenteambtenaren die conform artikel 231 van de Gemeentewet zijn belast
met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen worden voor de toepassing van de
CAR-UWO niet als ambtenaar beschouwd.

onderdeel f en g
Gemeenten kunnen voor de uitoefening van bepaalde taken toezichthouders aanstellen. Een
toezichthouder is volgens artikel 5:11 van de Awb: ‘Een persoon, bij of krachtens wettelijk
voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
enig wettelijk voorschrift’.
Er zijn toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid en toezichthouders met
opsporingsbevoegdheid. Aan deze laatste groep wordt door het Ministerie van Justitie een BOAakte
verleend.

Gemeenten krijgen door het toevoegen van onderdeel f aan artikel 1:2 CAR-UWO de
mogelijkheid om toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid, maar die volgens wet- en
regelgeving aangesteld dienen te zijn als ambtenaar om hun toezichthoudende werkzaamheden te
mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing
wordt. Op basis van dit artikel kunnen gemeenten dus toezichthouders zonder
opsporingsbevoegdheid inhuren via particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.

Met het toevoegen van onderdeel g aan artikel 1:2 CAR-UWO krijgen gemeenten de mogelijkheid
om toezichthouders met opsporingsbevoegdheid aan te stellen als onbezoldigd ambtenaar zonder
dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Belangrijk hierbij is dat dit alleen toegepast kan
worden op ambtenaren in functies die door het ministerie van Justitie zijn uitgezonderd van de
hoofdregel dat BOA-aktes alleen worden toegekend als de ambtenaar in bezoldigde dienst is van
de overheid. De gemeentelijke functies van parkeercontroleur en APV-controleur zijn de twee
uitzonderingen. Dit is geregeld in een functielijst in de circulaire van het ministerie van Justitie,
Directoraat-Generaal Rechtshandhaving, Bureau Juridische en Beleidsondersteunende
Aangelegenheden, 2 december 2004, onderwerp: functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar,
kenmerk 5324449/504 en de aanvulling daarop van 7 februari 2006, kenmerk 5402271/506/CBK.

Onderdeel h
Veelal laten gemeenten de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) uitvoeren door een
gemeenschappelijke regeling. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om de Wet sociale
werkvoorziening zelf uit te voeren en geïndiceerden voor de sociale werkvoorziening zelf in dienst
te nemen. In het kader van de wet dienen geïndiceerden op basis van een arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht in dienst te worden genomen. Deze mensen vallen onder de CAO sociale
werkvoorziening. Op grond van onderdeel h, eerste zinsdeel, worden deze personen uitgezonderd
van de toepassing van de CAR-UWO. Hiermee wordt voorkomen dat deze personen zowel
aanspraken kunnen ontlenen aan de CAO sociale werkvoorziening als aan de CAR-UWO.
Uitzondering op de regel zijn degenen die werkzaam zijn bij de gemeenten in het kader van
begeleid werken. Zij vallen wel onder de CAR-UWO. Deze uitzondering is geregeld in het tweede
(en laatste zinsdeel) van onderdeel h.

Onderdeel i
Per 1 januari 2011 is voor de gehele ambulancesector één arbeidsvoorwaardenregeling van toepassing: de sector-cao Ambulancezorg. De directe aanleiding voor de totstandkoming van de cao vormt de inwerkingtreding van de Wet ambulancezorg. De sector-Cao Ambulancezorg heeft geen rechtstreekse doorwerking naar de publieke ambulancediensten. Dat wordt ook niet gerealiseerd door de voorgenomen algemeenverbindendverklaring van de sector-Cao. Tussen alle bij de Cao betrokken partijen is afgesproken dat de publieke diensten de sector-Cao Ambulancezorg als rechtspositionele regeling zullen vaststellen en daarin boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing zullen verklaren. Deze afspraak wordt neergelegd in een apart en bindend convenant dat alle betrokken ambulancediensten ondertekenen.

Lid 2
Voordat ambtenaren zoals genoemd in onderdeel f of g van het eerste lid kunnen worden
uitgesloten van de toepasselijkheid van de CAR-UWO dient er overeenstemming over te zijn
bereikt in het GO of met de OR. Of dit in het GO of met de OR besproken moet worden is
afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het GO en de OR.

Lid 3
Niet als ambtenaar in de zin van de CAR-UWO wordt beschouwd de vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. De rechtspositie voor deze categorie is geregeld in hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van de UWO. Het personeel van de beroepsbrandweer is wel ambtenaar in de zin van de CAR-UWO.

Briefnummer: U201001980 en U201002606 en U201100883